Terug naar overzicht

Mens

4 minuten leestijd

Sleutelpandje: Brandaris Terschelling

Elke verdieping heeft zo zijn verhaal, van georganiseerde trouwpartijen tot opgestopte vogels door de vuurtorenwachters.

5.%20brandaris%20terschelling inmessage
Met heel veel flashbacks, zo begon die pakjesavond van 2017. Want samen met collega Loes zou ik vandaag 4 jaar na dato opnieuw naar Terschelling gaan. Geen schoonmaak ditmaal, maar om er de oudste vuurtoren van Nederland, de Brandaris, te gaan bezoeken. In een lichte euforie ga ik, voordat we naar Schylge afreizen, eerst naar de plaatselijke bakker voor iets typisch Fries bij de koffie. Met dit vooruitzicht dwalen mijn gedachten alvast af als ik in de golven slagroom van het sinterklaas gebak sta te turen. ''Nog iets anders?'' vraagt de bakkersvrouw achter de kassa. ''Ja, straks weer naar Terschelling'' en ik reken opgetogen mijn bestelling af. ''Oh! Ga je weer? Nou, een  goede reis alvast!'' ik bedank haar terwijl een grote tas met lekkers mijn kant wordt opgeschoven.

In Harlingen, in de terminal van Doeksen, wachten Loes en ik op de gereserveerde snelboot. We zijn ruim op tijd en bespreken alvast onze plannen. Wat kunnen we straks op het eiland verwachten? Kunnen we die toren nog steeds in? En wie is deze Walter Visser eigenlijk? We hebben geen idee. Loes gaat foto's maken en wil ook gaan filmen, ondertussen zal ik proberen met mijn aantekenboek een gesprek vlot te trekken. In de verte over het wad flitst af en toe het licht van de Brandaris die ons lijkt te wenken en drie kwartier later stappen we uit op West. Vol verwachting klopt ons hart bij het afmeren met de Koegelwieck, want, weten we eigenlijk wel hoe deze Walter er uit ziet? Ik neem een gok, en steek mijn hand uit naar de grootste man die er staat te wachten. Bingo! Het is Walter! Een imposante gestalte met rode leesbril en grijze baard die in een paar enorme werklaarzen is gestoken. Met zeven mijlslaarzen gaat hij ons voor en we belanden in een café in de torenstraat. Aan het einde van de straat zie ik de Brandaris hoog boven alles uitstekend en af en toe zoeft er een lichtstraal over onze hoofden, begeleid door enkele krijsende meeuwen.

Terwijl de cappuccino wordt geserveerd, en Loes haar camera pakt, leg ik alvast pen en papier op tafel om het gesprek opgang te helpen. Walter begint, en het is alsof we door een tsunami aan woorden worden overspoeld. Het ene na het andere verhaal komt aangerold, en Walter raakt snel op stoom. Zijn jeugdherinneringen en levensloop als geïmporteerde badgast nemen ons mee naar bijna alle windstreken van het aard oppervlak. Tenminste, zo lijkt het. Het gaat over de Rietveldacademie in Amsterdam, rondtrekkende muziekanten in Duitsland, film dossiers opbouwen op het eiland en beeldhouwkunsten in Groningen en Friesland. De ''boom'' Walter spreekt over zijn dochter en over een nog grotere ''boom'', zijn zoon. Uit hetzelfde hout gesneden, avontuurlijke mannen met een vrije Terschellinger geest die ook tijdens het Oerol extra hard over het eiland waait. Mijn aantekeningen worden kleine schetsen en het ene na het andere papier wordt beklad met waterverf terwijl Loes de bewegelijkheid van de spreker met de lens probeert te vangen. Het gaat nu in een sneltreinvaart,  het deint op en neer, ik dreig er bijna door te verdrinken. Gelukkig zijn daar de boeien die me al schetsend weer naar het eiland loodsen. ''De tonnenloods? Ja klopt! die maak ik ook schoon'' zegt Walter. Een verlaten werkplaats waar deze zeeboeien bewaard en hersteld worden en die nu onder de loep van een ander bestemmingsplan ligt. Ondertussen hebben we onze eigen bestemming wel bereikt als Walter de deur van de Brandaris open doet.

Het is pakjesavond, iets met een ''heilige'' uit Spanje. De verhalen gaan dat de Brandaris iets met een rondvarende ''zeeheilige'' van doen zou hebben? Via de Ierse zee zouden namelijk geestelijken in het jaar 1323 de Noordzee zijn overgestoken. Of waren het toch fantasten? Die het gedoofde licht middels zedenprediking of acrobatiek weer wilden gaan aansteken? Hoe dan ook, we gaan met de lift naar boven, op weg naar de lamp op de punt van de toren. Onderweg worden we over de schoonmaak door Walter bijgepraat en wijst daarbij op brokken kalk die her en der verspreidt op de houten vloer ligt. ''Dat zeezout wil wel vreten en maakt de stuclagen op de wanden broos''. We zijn ondertussen helemaal boven aangekomen. Er volgt een korte ogenschouw op veel instrumenten binnen en een wijds waddengebied buiten, en de lamp. Via de stenen wenteltrap, en een scheepstouw voor houvast, gaan we weer zakken. Elke verdieping heeft zo zijn verhaal, van georganiseerde trouwpartijen tot opgestopte vogels door de vuurtorenwachters. Een macabere hobby daar boven in de lucht van aangevlogen laagvliegers. De overvolle vitrinekasten met opgezette vogels staan om brandgevaarlijke reden elders in het dorp opgesteld. De vuurtoren zou maar in lichterlaaie komen te staan. We schudden Walter de hand als we beneden voor de toren op het pleintje afscheid nemen en kijken vanuit de snelboot nog een keer om. De lamp op de toren floept nog steeds aan en uit. Naast ons in de boot scheert het schijnsel in lange lichtbanen over het wad en begeleid ons zo terug naar de wal. Lichtflitsen, flash backs, ze komen en gaan, het is nog steeds pakjesavond 2017. 

Auteur
Asito